Reglement

 

 

O.P.R.

Officieel Petanque Reglement van toepassing voor alle Federaties aangesloten bij de F.I.P.J.P.

 

Algemene regels

Artikel 1 – Samenstelling der ploegen
Petanque is een sport gespeeld door:
– drie spelers tegen drie spelers (tripletten).
Er mag ook gespeeld worden door:
– twee spelers tegen twee spelers (doubletten)
– één speler tegen één speler (individueel).
Bij tripletten beschikt iedere speler over twee ballen. Bij doubletten of individueel beschikt iedere speler over drie ballen.
Elke andere formule is verboden.

Artikel 2 – Kenmerken van goedgekeurde ballen
Petanque wordt gespeeld met door de FIPJP goedgekeurde ballen die aan volgende criteria beantwoorden:
1. de ballen moeten van metaal zijn
2. zij moeten een diameter hebben tussen 7,05 cm (minimum) en 8,00 cm (maximum)
3. zij moeten een gewicht hebben tussen 650 gram (minimum) en 800 gram (maximum)
Het label (kenteken van de fabrikant) en het gewicht moeten in de ballen gegraveerd zijn en moeten steeds leesbaar zijn.
Jeugdspelers van 11 jaar en jonger, mogen in hun specifieke competities spelen met ballen van 600 gram en een diameter van 65 mm op voorwaarde dat zij vervaardigd werden door een erkend fabrikant;
4. de ballen mogen niet gevuld zijn met lood of zand. In algemene zin mogen zij geen enkele bewerking of
andere opzettelijke wijziging hebben ondergaan na de vervaardiging door een erkende fabrikant. Het is te-vens verboden de ballen opnieuw te verhitten (na te gloeien) om de door de fabrikant opgegeven hardheid te veranderen.
Naam en voornaam of de initialen van de speler mogen nochtans in de ballen gegraveerd worden, evenals de verschillende logo’s of merken overeenkomstig het lastenboek met betrekking tot het fabricageproces.

Artikel 2bis – Sancties voor niet-conforme ballen
Iedere speler die zich schuldig maakt aan een overtreding op punt 4 van vorig artikel, wordt onmiddellijk uitge-sloten uit de competitie evenals zijn medespeler of medespelers.
Als een niet–getrukeerde, maar versleten of slecht gefabriceerde bal een controle niet doorstaat of niet voldoet aan de eisen uit de punten 1, 2 of 3 van het voorgaande artikel, moet de speler deze vervangen. Hij mag ook de hele ballenset vervangen.
Een door spelers ingediende klacht met betrekking tot de punten 1, 2 of 3 zijn alleen ontvankelijk vóór de aan-vang van de partij.
De spelers hebben er dus alle belang bij zich ervan te vergewissen dat hun eigen ballen en die van hun tegen-stander aan de gestelde eisen voldoen.
Een klacht met betrekking tot punt 4 kan gedurende de gehele partij worden ingediend, maar enkel tussen twee mènes. Nochtans zal vanaf de derde mène iedere ongegronde klacht met betrekking tot de ballen van de te-genstrever bestraft worden met drie punten die toegevoegd worden bij de score van de tegenstander.
De scheidsrechter of de jury mag op ieder moment de ballen van één of meerdere spelers controleren.

Artikel 3 – Goedgekeurde doelkogeltjes
Doelkogeltjes zijn van hout of van synthetische stof, in het laatste geval dragen zij het fabrieksmerk goedgekeurd door de FIPJP met toepassing van het specifieke lastenboek m.b.t. de vereiste normen.
Hun diameter moet 30 mm bedragen (een afwijking van +/– 1mm is toegestaan).
Het gewicht hiervan moet tussen de 10 en 18 gram liggen.
Geverfde doelkogeltjes zijn toegestaan, maar in geen geval mogen zij, noch een houten doelkogeltje, kunnen opgenomen worden door middel van een magneet.

Artikel 4 – Licenties
Om zich in te schrijven in een competitie moet elke speler of speelster een geldige licentie voorleggen of, volgens de regels van hun Federatie, een geldig identiteitsbewijs voorleggen en een bewijs dat hij of zij aangesloten is bij deze Federatie.

Het spel

Artikel 5 – Reglementaire terreinen of speelvelden
Petanque kan op elke ondergrond gespeeld worden.
De wedstrijdleiding of de scheidsrechter kan de ploegen nochtans een afgebakend terrein toewijzen. In dat geval moeten die terreinen voor nationale kampioenschappen en internationale wedstrijden ten minste 4 meter breed zijn en 15 meter lang zijn.
Voor andere wedstrijden kan de federatie afwijkingen van deze afmetingen toestaan. De afmetingen mogen nooit minder dan 3 meter bij 12 meter zijn.
Een speelveld omvat een onbepaald aantal terreinen die afgebakend zijn met koorden waarvan de dikte het spelverloop niet mag beïnvloeden. Deze koorden, die de verschillende terreinen afbakenen, zijn geen verlieslij-nen, uitgezonderd de lijnen aan de kopse zijden en de lijnen langs de buitenzijde van de buitenste kaders.
Wanneer speelvelden achter elkaar geplaatst zijn, worden de achterlijnen van het kader als verlieslijn be-schouwd.
Wanneer speelvelden voorzien zijn van een afsluiting moeten deze minstens op 1 meter geplaatst worden van de verlieslijn van het speelveld.
De partijen worden naar 13 punten gespeeld met mogelijkheid om partijen van de poules en de cadrage wed-strijden naar 11 punten te laten spelen.
Sommige wedstrijden kunnen ingericht worden waarvan de partijen op tijdslimiet gespeeld worden. Deze par-tijen mogen enkel gespeeld worden op afgebakende terreinen. In dit geval zijn alle lijnen die het terrein afbake-nen verlieslijnen.

Artikel 6 – Aanvang van het spel en reglement betreffende de cirkel
De spelers tossen om te bepalen welke van de twee ploegen het terrein kiest in geval deze niet door de wedstrijdleiding werd bepaald en het doelkogeltje als eerste werpt.
Als de wedstrijdleiding de ploegen een terrein heeft toegewezen, moet het doelkogeltje op dit toegewezen terrein worden geworpen. De ploegen mogen niet veranderen van terrein zonder toestemming van de scheidsrechter.
Een speler van de ploeg die de toss heeft gewonnen kiest het vertrekpunt en tekent of plaatst op de grond een cirkel waar de voeten van elke speler geheel in passen. De diameter van een getekende werpcirkel bedraagt ten minste 35 en ten hoogste 50 cm.
Indien er gebruik gemaakt wordt van een gematerialiseerde cirkel moet deze vormvast zijn en een binnendia-meter van 50 cm hebben. Een afwijking van ten hoogste + of – 2 mm is toegestaan.
Plooibare cirkels zijn toegelaten op voorwaarde dat deze goedgekeurd zijn door de FIPJP aangaande hun hard-heid.
Wanneer de wedstrijdleiding reglementaire cirkels ter beschikking stelt van de spelers zijn deze verplicht die te gebruiken.
De spelers moeten ook de reglementaire cirkels of goedgekeurde plooibare cirkels aanvaarden indien de tegen-strevers deze voorstellen. Indien beide ploegen in het bezit zijn van een reglementaire cirkel zal deze gebruikt worden van de ploeg die de toss gewonnen heeft.
In alle gevallen moeten de cirkels gemerkt worden vóór het werpen van het doelkogeltje.
De cirkel moet getrokken worden (of geplaatst worden) op minstens één meter van elke hindernis en minstens twee meter van elke andere cirkel die in gebruik is.
De ploeg die het doelkogeltje mag werpen, hetzij door het winnen van de toss, hetzij door de voorgaande mène gewonnen te hebben, heeft maar één kans om het doelkogeltje geldig te werpen. Indien deze poging niet geldig verklaard wordt, zal het doelkogeltje overhandigd worden aan de tegenstrever, die het op reglementaire wijze moet plaatsen waar hij of zij het wenst.
De ploeg die het doelkogeltje gaat werpen moet alle werpcirkels in de nabijheid van de te gebruiken cirkel uitwissen of verwijderen.
Het binnendeel van de werpcirkel mag volledig geëffend worden gedurende de ganse mène maar moet aan het eind daarvan in de oorspronkelijke staat worden hersteld.
De werpcirkel wordt niet als verboden terrein beschouwd.
De voeten van de speler moeten zich volledig binnen de cirkellijn bevinden. Zij mogen deze niet raken en zij mogen de cirkellijn niet overschrijden, de werpcirkel niet verlaten of geheel van de grond komen vóór de gewor-pen bal de grond raakt. Geen enkel ander lichaamsdeel mag de grond buiten de werpcirkel raken. Elke overtre-ding zal gesanctioneerd worden overeenkomstig artikel 35.
Per uitzondering mogen spelers met een handicap aan één der onderste ledematen slechts één voet binnen de werpcirkel plaatsen. Voor spelers in een rolstoel moet ten minste één wiel (zijde van de werparm) zich binnen de werpcirkel bevinden.
Het werpen van een doelkogeltje door een speler betekent niet dat hij of zij als eerste moet spelen.
Indien een speler de cirkel verwijdert alvorens het uitspelen van alle ballen, wordt deze opnieuw geplaatst waar deze lag, maar enkel de tegenstrevers mogen hun ballen verder uitspelen.

Artikel 7 – Reglementaire afstanden voor het werpen van het doelkogeltje
Opdat het door een speler geworpen doelkogeltje geldig zou zijn moet dit aan de volgende voorwaarden vol-doen:
1. de afstand van het doelkogeltje voor junioren en senioren moet ten minste 6 meter en ten hoogste 10 me-ter zijn. Deze afstand wordt gemeten vanaf de binnenrand van de werpcirkel tot de voorkant van het doel-kogeltje.
Bij wedstrijden voor jongere spelers mogen kleinere afstanden worden toegepast.
2. de werpcirkel moet zich tenminste op één meter van elke hindernis bevinden en op tenminste twee meter van elke andere cirkel die in gebruik is.
3. het doelkogeltje moet zich tenminste op één meter van elke hindernis en van de dichtstbijzijnde grens van verboden terrein bevinden. Deze afstand wordt herleid naar 50 cm in geval van wedstrijden op tijdslimiet, behalve voor de achterlijn.
4. het doelkogeltje moet zichtbaar zijn voor de speler die geheel rechtop in de werpcirkel staat en met beide voeten geheel binnen de werpcirkel. In geval van twijfel beslist de scheidsrechter of het doelkogeltje zichtbaar is. Tegen zijn beslissing is geen beroep mogelijk.
Voor de volgende mène wordt het doelkogeltje geworpen vanuit een werpcirkel getekend of geplaatst rond het punt waar het lag aan het einde van de vorige mène, behalve in volgende gevallen:
– Indien de werpcirkel zich op minder dan één meter van een hindernis zou bevinden;
– Het doelkogeltje niet op alle reglementaire afstanden zou kunnen geworpen worden.
In het eerste geval trekt of plaatst de speler de werpcirkel op reglementaire afstand van de hindernis.
In het tweede geval mag de speler achteruit gaan in het verlengde van een lijn waarin werpcirkel en doelkogeltje zich bevonden op het einde van de vorige mène zonder dat de maximaal toegestane werpafstand overschreden wordt. Deze mogelijkheid mag enkel en alleen als het doelkogeltje in geen enkele richting op de maximaal toegestane werpafstand kan worden geworpen.
Indien het doelkogeltje niet geworpen werd zoals in bovenvermelde voorwaarden beschreven, moet de tegen-strever dit plaatsen op reglementaire wijze op het speelveld en mag op zijn beurt de cirkel verplaatsen zoals voorzien in voorgaande alinea indien de eerste verplaatste cirkel geen maximaal toegestane afstand toeliet.
In elk geval behoudt de ploeg die het doelkogeltje moest afstaan vanwege het niet reglementaire plaatsen, het recht de eerste bal te spelen.
De ploeg die recht heeft om het doelkogeltje te werpen beschikt maximaal over 1 minuut om dit uit te voeren.
De ploeg die nadien het recht heeft om het doelkogeltje te plaatsen na het nietig verklaren van voorgaande worp moet dit onmiddellijk uitvoeren.

Artikel 8 – Het geldig werpen van het doelkogeltje
Als het doelkogeltje tegengehouden wordt door de scheidsrechter, een tegenstrever, een toeschouwer, een dier of enig bewegend voorwerp is het ongeldig en moet opnieuw geworpen worden.
Indien het doelkogeltje tegengehouden werd door een medespeler, wordt het doelkogeltje aan de tegenstrever afgegeven die het op reglementaire wijze moet plaatsen.
Indien na het uitwerpen van het doelkogeltje een eerste bal gespeeld werd, heeft de tegenstrever nog het recht om de reglementaire ligging van het doelkogeltje te betwisten behalve wanneer hij zelf het doelkogeltje heeft gelegd.
Alvorens het doelkogeltje af te geven aan de tegenstrever om dit te plaatsen, moeten beide ploegen het erover eens zijn dat het ongeldig lag of de scheidsrechter moet dat beslist hebben. Indien een ploeg in strijd hiermee handelt verliest zij het recht het doelkogeltje te werpen.
Als de tegenstander ook een bal geworpen heeft dan wordt het doelkogeltje geldig verklaard en wordt er geen enkele klacht meer aanvaard.

Artikel 9 – Nietig verklaren van het doelkogeltje tijdens een mène
Het doelkogeltje is ongeldig in de volgende zeven gevallen:
1. Als het doelkogeltje tijdens een mène verplaatst wordt naar verboden terrein zelfs als het daarna terug komt op toegestaan terrein. Een doelkogeltje op de verlieslijn is geldig. Het is pas ongeldig als het recht van boven gezien geheel de verlieslijn heeft overschreden. Een plas water waarin het doelkogeltje vrij kan drijven is verboden terrein.
2. Wanneer het verplaatst is binnen het toegestane terrein maar niet meer zichtbaar is vanuit de werpcirkel zoals beschreven is in artikel 7. Als het doelkogeltje achter een bal verscholen is, blijft het geldig. De scheids-rechter mag een bal tijdelijk wegnemen om na te gaan of het doelkogeltje zichtbaar is.
3. Als het verplaatst wordt naar meer dan 20 meter van de werpcirkel (voor junioren en senioren), of naar meer dan 15 meter (voor jongere spelers), of naar minder dan 3 meter van de werpcirkel.
4. Als bij afgebakende terreinen het doelkogeltje meer dan één onmiddellijk naastgelegen terrein geheel heeft overschreden of de achterste verlieslijn van het kader heeft overschreden.
5. Als het verplaatste doelkogeltje zoek is en niet binnen vijf minuten wordt teruggevonden.
6. Als er zich een verboden terrein bevindt tussen de werpcirkel en het doelkogeltje.
7. Wanneer, bij partijen die gespeeld worden op tijd, het doelkogeltje het toegewezen terrein verlaat.

Artikel 10 – Het verplaatsen van hindernissen
Het is de spelers ten strengste verboden om eender welke hindernis die zich op het terrein bevindt te verwijde-ren, te verplaatsen of te verbrijzelen. De speler die het doelkogeltje gaat werpen mag niettemin de valplaats onderzoeken (de donnée) door daar ten hoogste drie keer met één van zijn ballen op te kloppen. Bovendien mag een speler van de ploeg die aan de beurt is, één inslag van een eerder gespeelde bal dichtmaken.
Spelers die zich niet houden aan deze regels – onder andere door een veegbeweging te maken voor een te schieten bal – riskeren een sanctie voorzien in artikel 35.

Artikel 11 Vervanging van doelkogeltje of bal
Het is de spelers ten strengste verboden doelkogeltje of bal te vervangen tijdens een aan de gang zijnde wed-strijd. Deze mogen enkel vervangen worden in de volgende gevallen:
1. Indien doelkogeltje of een bal onvindbaar is: de zoektijd wordt beperkt tot vijf minuten.
2. Indien het doelkogeltje of een bal breekt: in dat geval bepaalt het grootste stuk de ligging. Als er nog ballen te spelen zijn wordt het doelkogeltje of de bal, eventueel na de nodige meting, onmiddellijk vervangen door een bal of een doelkogeltje van dezelfde of een gelijkaardige diameter. In de volgende mène mag de betref-fende speler een volledige nieuwe set nemen.

Het doelkogeltje

Artikel 12 – Verborgen of verplaatst doelkogeltje.
Als het doelkogeltje tijdens een mène onverwachts wordt bedekt door een boomblad of een stuk papier dan worden deze voorwerpen verwijderd.
Als het stilliggend doelkogeltje verplaatst wordt door bijvoorbeeld de wind of de helling van het terrein, wordt het op zijn oorspronkelijke plaats gelegd op voorwaarde dat deze gemerkt was. Dezelfde regels zijn ook van toe-passing indien het per ongeluk door de scheidsrechter, een speler, een toeschouwer, een bal of een doelkogeltje komende uit een andere partij, een dier of enig ander bewegend voorwerp verplaatst werd.
Om iedere betwisting te voorkomen moeten de spelers de plaats van het doelkogeltje merken. Geen enkele klacht zal aanvaard worden over doelkogeltje en ballen die niet gemerkt werden.
Wordt het doelkogeltje verplaatst door een bal uit dezelfde partij, dan blijft het geldig.

Artikel 13 – Verplaatsing van het doelkogeltje naar een ander speelterrein
Als het doelkogeltje tijdens een mène naar een ander terrein verplaatst wordt (al dan niet afgebakend), blijft het geldig, tenzij artikel 9 van toepassing is.
Als het doelkogeltje terechtkomt op een terrein waar een ander spel aan de gang is, dan wachten de spelers (indien nodig) die met het verplaatste doelkogeltje spelen tot de spelers van de andere partij hun mène beëindigd hebben en maken daarna hun eigen mène af.
Alle betrokken spelers dienen blijk te geven van geduld en hoffelijkheid.
Bij de volgende mène spelen de ploegen verder op het aanvankelijk toegewezen terrein en het doelkogeltje wordt geworpen vanaf het punt van waar het verplaatst werd, onder voorbehoud van eventuele toepassingen van artikel 7.

Artikel 14 – Beschikking te treffen als het doelkogeltje nietig is
Als het doelkogeltje tijdens een mène ongeldig wordt, kunnen zich drie gevallen voordoen:
1. Beide ploegen hebben nog ballen te spelen: de mène is nietig en het doelkogeltje gaat naar de ploeg die de vorige mène of de trekking (toss) gewonnen heeft.
2. Eén ploeg heeft nog ballen te spelen: deze ploeg krijgt evenveel punten als het aantal nog te spelen ballen.
3. Beide ploegen hebben geen ballen meer te spelen: de mène is nietig en het doelkogeltje gaat naar de ploeg die de vorige mène of de trekking (toss) gewonnen heeft.

Artikel 15 – Het plaatsen van het doelkogeltje nadat het werd tegengehouden
1. Indien het weggeschoten doelkogeltje werd tegengehouden of van richting werd veranderd door een toe-schouwer of de scheidsrechter, behoudt het zijn plaats waar het tot stilstand komt.
2. Indien het weggeschoten doelkogeltje tegengehouden werd of van richting werd veranderd door een speler die zich op toegestaan terrein bevindt, heeft zijn tegenstander de keuze uit:
a) Het doelkogeltje laten liggen op zijn nieuwe plaats.
b) Het doelkogeltje terug te leggen op zijn oorspronkelijke plaats.
c) Het doelkogeltje leggen in het verlengde van de lijn van zijn oorspronkelijke plaats naar de plaats waar het zich bevindt en dit op een maximale afstand van 20 meter van de werpcirkel (15 meter voor jeugd-wedstrijden), en zo dat het zichtbaar is.
Alinea’s b en c mogen enkel toegepast worden als het doelkogeltje gemerkt was. Zo niet blijft het doelkogeltje liggen op zijn nieuwe plaats.
Als het weggeschoten doelkogeltje op verboden terrein terechtkomt, en nadien weer op het terrein terugkomt, wordt het als ongeldig beschouwd en worden de regels van artikel 14 toegepast.

Artikel 16 – Het spelen van de eerste bal en de volgende ballen
De eerste bal van een mène wordt gespeeld door een speler van de ploeg die de trekking (toss) of de voor-gaande mène gewonnen heeft. Vervolgens speelt de ploeg die het punt niet heeft.
De speler mag van geen enkel voorwerp gebruik maken noch op de grond een lijn trekken om zijn bal te geleiden of om zijn valplaats aan te duiden. Wanneer hij zijn laatste bal speelt mag hij geen andere bal in zijn andere hand houden.
De ballen moeten één na één geworpen worden.
Geen enkele geworpen bal mag opnieuw gespeeld worden.
Nochtans moeten de ballen opnieuw gespeeld worden als zij onopzettelijk werden tegengehouden of uit hun koers zijn geraakt door een bal of een doelkogeltje uit een andere partij, door een dier, door enig bewegend voorwerp en in het geval genoemd in de tweede alinea van artikel 8.
Het is verboden ballen of het doelkogeltje te bevochtigen.
Alvorens zijn bal te gooien moet de speler deze ontdoen van elk spoor van modder of ieder vreemd voorwerp dat eraan kleeft. Een speler die zich niet aan deze regel houdt loopt de sancties op voorzien in artikel 35.
Als de eerste gespeelde bal op verboden terrein terechtkomt, moet de tegenstander zijn eerste bal spelen, daarna spelen beiden ploegen beurtelings totdat er een bal op toegestaan terrein ligt.
Indien er geen enkele bal meer op toegelaten terrein ligt vanwege het schieten of het pointeren, worden de regels van artikel 29 m.b.t. tot een nietige mène toegepast.

Artikel 17 – Gedrag van spelers en toeschouwers tijdens een partij
Gedurende de toegestane tijd die een speler heeft om zijn bal te gooien moeten de toeschouwers en de andere spelers de grootste stilte in acht nemen.
De tegenstrevers mogen niet lopen noch gebaren maken of iets anders doen dat de speler zou kunnen storen. Alleen zijn medespelers mogen zich tussen de werpcirkel en het doelkogeltje bevinden.
De tegenstrevers moeten zich voorbij het doelkogeltje of achter de speler bevinden en in beide gevallen zijwaarts van de speelrichting en op minstens 2 meter afstand van het doelkogeltje en de speler.
Spelers die zich niet houden aan deze regels kunnen uitgesloten worden uit de wedstrijd als zij na een waar-schuwing van de scheidsrechter volharden in hun gedrag.

Artikel 18 – Het gooien van de ballen en ballen die het speelveld verlaten
Niemand mag bij wijze van proef een bal gooien tijdens het spel. Een speler die zich niet aan deze regel houdt, riskeert de sancties voorzien in artikel 35.
Ballen die tijdens de mène het afgebakende terrein verlaten blijven geldig tenzij artikel 19 van toepassing is.

Artikel 19 – Nietige ballen
Iedere bal is nietig zodra hij op verboden terrein terechtkomt. Een bal te paard op de grenslijn van een toege-staan terrein is geldig. De bal is pas nietig als hij de verlieslijn van een toegestaan terrein volledig heeft over-schreden, dat wil zeggen als hij, loodrecht van boven gezien, geheel over de verlieslijn ligt. Dit geldt ook als bij een afgebakend terrein de bal meer dan één aangrenzend terrein geheel heeft overschreden of wanneer hij de achterste verlieslijn van het kader volledig heeft overschreden.
Bij wedstrijden die op tijd gespeeld worden en op één terrein plaatsvinden worden dezelfde regels toegepast van zodra de bal het kader volledig overschreden heeft.
Als de bal vervolgens op het terrein terugkomt, hetzij door de helling van het terrein, hetzij doordat hij door een bewegend of vaststaand voorwerp wordt teruggekaatst, moet hij meteen uit het spel genomen worden en alles wat hij verplaatst heeft na zijn doortocht op verboden terrein wordt op zijn oorspronkelijke plaats teruggelegd, op voorwaarde dat het gemerkt was.
Iedere ongeldige bal moet meteen uit het spel genomen worden. Als dat niet gebeurt, wordt hij als geldig be-schouwd van zodra de tegenpartij een bal gespeeld heeft.

Artikel 20 – Het tegenhouden van ballen
Elke gespeelde bal, tegengehouden of van richting veranderd door een toeschouwer of door de scheidsrechter, blijft liggen op zijn nieuwe plaats.
Elke gespeelde bal, tegengehouden of onopzettelijk van richting veranderd door een speler van de ploeg waar-toe deze bal behoort, is nietig.
Elke gepointeerde bal tegengehouden, of onopzettelijk van richting veranderd door een tegenstander, mag de betrokken speler beslissen om de bal opnieuw te gooien of hem te laten liggen op zijn nieuwe plaats.
Wanneer een geschoten of weggeschoten bal wordt tegengehouden of onopzettelijk van richting veranderd door een speler, mag de tegenspeler beslissen:
1. De bal te laten liggen op zijn nieuwe plaats.
2. De bal te leggen in het verlengde van de lijn gaande van zijn oorspronkelijke plaats tot de plaats waar hij tot stilstand kwam, maar uitsluitend op toegestaan terrein en op voorwaarde dat zijn oorspronkelijke plaats ge-merkt was.
Een speler die opzettelijk een bewegende bal tegenhoudt, wordt evenals zijn ploeg onmiddellijk uitgesloten voor de aan gang zijnde partij.

Artikel 21 – Toegestane tijd om te spelen
Zodra het doelkogeltje geworpen is, heeft iedere speler maximum één minuut de tijd om zijn bal te gooien. Deze tijd gaat in van zodra het doelkogeltje of de laatst geworpen bal tot stilstand is gekomen, of in geval er gemeten moet worden, van zodra deze meting verricht is.
Deze zelfde regels gelden ook voor het werpen van het doelkogeltje.
Een speler die zich niet aan deze speeltijd houdt, riskeert de sancties voorzien in artikel 35.

Artikel 22 – Verplaatste ballen
Als een stilliggende bal in beweging komt door bijvoorbeeld de wind of de helling van het terrein wordt hij terug-gelegd op zijn oorspronkelijke plaats op voorwaarde dat deze gemerkt was. Hetzelfde geldt ook als de bal per ongeluk verplaatst wordt door een speler, de scheidsrechter, een toeschouwer, een dier of enig bewegend voorwerp.
Om elke betwisting te voorkomen moeten spelers de plaats van de ballen merken. Klachten met betrekking tot niet gemerkte ballen worden niet in overweging genomen; de scheidsrechter zal slechts uitspraak doen op grond van de feitelijke ligging van de ballen op het terrein.
Als echter een bal wordt verplaatst als gevolg van een in deze partij geworpen bal blijft hij wel geldig.

Artikel 23 – Een speler speelt een andere bal dan de zijne
Een speler die een andere bal dan zijn eigen bal speelt, krijgt een waarschuwing. De geworpen bal blijft niettemin geldig, maar wordt na een eventuele meting onmiddellijk vervangen.
Ingeval van herhaling tijdens de partij wordt de bal van de overtreder ongeldig verklaard en wordt alles wat hij verplaatst heeft op zijn oorspronkelijke plaats teruggelegd, op voorwaarde dat deze gemerkt was.

Artikel 24 – Niet reglementair gespeelde ballen
Met uitzondering van de gevallen waarvoor dit reglement sancties voorziet en de ernst ervan beschrijft in artikel 35, zijn alle niet-reglementair gespeelde ballen nietig en alles wat als gevolg daarvan is verplaatst wordt op zijn oorspronkelijke plaats teruggelegd, mits deze gemerkt was.
De tegenstander mag echter de voordeelregel toepassen en de worp alsnog geldig verklaren. De geworpen bal blijft dan geldig, en alles wat als gevolg daarvan is verplaatst, blijft op zijn nieuwe plaats liggen.

Punten en metingen

Artikel 25 – Tijdelijk wegnemen van ballen
Voor het meten van een punt is het toegestaan ballen en hindernissen tussen het doelkogeltje en de te meten ballen tijdelijk weg te nemen, na hun plaats gemerkt te hebben.
Na het meten worden de ballen en hindernissen op hun oorspronkelijke plaats teruggelegd. Als de hindernissen niet kunnen worden weggenomen, wordt er met behulp van een passer gemeten.

Artikel 26 – Meting van de punten
Een meting wordt verricht door de speler of zijn medespelers die als laatste een bal geworpen heeft. De tegen-standers hebben altijd het recht na te meten.
Metingen worden verricht met een geschikt instrument waarover beide ploegen dienen te beschikken.
Het is in het bijzonder verboden met de voeten te meten. Een speler die zich niet aan deze regel houdt, riskeert sancties voorzien in artikel 35.
Ongeacht de ligging van de te meten ballen en het moment in de mène kan de scheidsrechter geraadpleegd worden, tegen diens beslissing is geen beroep mogelijk. De spelers moeten zich op minstens twee meter afstand houden van de scheidsrechter wanneer deze een meting uitvoert.
Echter kunnen wedstrijden enkel door een scheidsrechter gemeten worden indien de organisatoren er zo over beslissen, in het bijzonder wanneer wedstrijden opgenomen worden door de media.

Artikel 27 – Voortijdig weggenomen ballen
Het is de spelers ten strengste verboden gespeelde ballen op te rapen voor het einde van de mène.
Aan het einde van een mène wordt iedere bal die opgeraapt werd vóór het aantal punten is overeengekomen als nietig verklaard. Over dit punt wordt geen enkele betwisting aanvaard.
In geval een speler zijn ballen opraapt van het speelveld en zijn medespelers nog ballen hebben, worden deze niet toegelaten om ze verder te spelen.

Artikel 28 Verplaatsen van ballen of doelkogeltje
Het punt gaat verloren voor een ploeg indien één van haar spelers tijdens een meting het doelkogeltje of één van de betwiste ballen verplaatst.
Indien de scheidsrechter bij het meten het doelkogeltje of een bal beweegt of verplaatst, doet hij in alle eerlijkheid een uitspraak.

Artikel 29 Ballen op gelijke afstand van doelkogeltje
Als de twee ballen, die het dichtst en op gelijke afstand van het doelkogeltje liggen, toebehoren aan de verschil-lende ploegen kunnen zich de volgende drie gevallen voordoen:
1. Geen van beide ploegen heeft nog ballen te spelen, de mène eindigt als onbeslist en het doelkogeltje wordt geworpen door een speler van de ploeg die de voorgaande mène scoorde of die de trekking (toss) gewon-nen heeft.
2. Slechts één ploeg heeft nog ballen te spelen: die ploeg speelt de overgebleven ballen en behaalt zoveel punten als zij uiteindelijk ballen dichter bij het doelkogeltje heeft liggen dan de dichtstbijzijnde bal van de tegenstander.
3. Beide ploegen hebben nog ballen te spelen, de ploeg die het laatst heeft geworpen werpt nogmaals een bal, dan de tegenstander, en vervolgens om beurten, totdat één der ploegen het punt heeft. Als slechts één ploeg nog ballen te spelen heeft zijn de regels van voorgaande alinea (punt 2) van toepassing.
Als er aan het einde van een mène geen ballen op toegestaan terrein liggen, is de mène nietig verklaard.

Artikel 30 – Een vreemd voorwerp kleeft aan bal of doelkogeltje
Ieder vreemd voorwerp dat aan de bal of doelkogeltje kleeft moet voor de meting verwijderd worden.

Artikel 31 – Klachten
Om ontvankelijk te zijn dient iedere klacht te worden ingediend bij de scheidsrechter. Van zodra een partij be-eindigd is, wordt geen enkele klacht meer aanvaard.

Discipline

Artikel 32 – Strafregeling voor afwezige ploegen of spelers
Bij de loting van de wedstrijden en de bekendmaking hiervan moeten de spelers bij de wedstrijdtafel aanwezig zijn.
Als een ploeg een kwartier na de bekendmaking nog niet op het terrein aanwezig is wordt zij bestraft met één punt ten gunste van de tegenstander. Bij wedstrijden die binnen een bepaalde tijd dienen gespeeld te worden, wordt deze termijn verkort tot 5 min.
Eens de tijdslimiet verstreken zal per schijf van 5 min. afwezigheid 1 strafpunt toegevoegd worden aan het reeds opgelopen strafpunt.
Dezelfde sanctie wordt tijdens het toernooi opgelegd na elke loting en bij elke hervatting van de partijen ten gevolge van onderbreking om welke reden ook.
Een ploeg die één uur na het begin van de wedstrijd of na de hervatting van de partijen na een onderbreking nog niet op het terrein is verschenen, wordt uitgesloten van het toernooi.
Een onvolledige ploeg heeft het recht de partij te beginnen zonder op een afwezige speler te wachten. Zij be-schikt echter niet over zijn ballen.
Spelers mogen zich niet van een partij verwijderen of het speelterrein verlaten zonder toestemming van de scheidsrechter.
Wanneer een speler toestemming krijgt het terrein te verlaten mag dit het verloop van de aan gang zijnde partij niet beïnvloeden noch de verplichting opgelegd aan zijn medespelers om binnen de toegestane minuut te spe-len. Indien de speler niet tijdig terug is op het ogenblik dat hij of zij moet spelen, worden zijn te spelen ballen geannuleerd met één bal per minuut vertraging.
Indien de toestemming niet werd gegeven, zijn de bepalingen van artikel 35 van toepassing.
In geval van ongeval of een medisch probleem, vastgesteld door een arts, kan een pauze ingelast worden van maximaal een kwartier. Indien het gebruik hiervan frauduleus zou zijn, zal zowel de schuldige speler als zijn ploeg onmiddellijk uit de competitie uitgesloten worden.

Artikel 33 – Aankomst van afwezige spelers
Als de afwezige speler zich na het begin van een mène aanbiedt, mag hij niet aan deze mène deelnemen. Hij wordt maar pas in het spel toegelaten vanaf de volgende mène.
Als de afwezige speler zich meer dan een uur na het begin van een partij aanmeldt, verliest deze speler alle rechten om hier nog aan mee te doen.
Als zijn medespeler of medespelers deze partij winnen, mag hij wel aan de volgende partij meedoen, mits de ploeg nominatief ingeschreven was.
Als het toernooi in poules gespeeld wordt, mag hij, ongeacht het resultaat van deze partij, aan de volgende partij deelnemen.
Men beschouwt een mène als begonnen van zodra het doelkogeltje is geworpen ongeacht de geldigheid van deze worp. Bepaalde beslissingen kunnen genomen worden bij partijen die gespeeld worden op tijdslimiet.

Artikel 34 – Vervanging van een speler
Vervanging van één speler in een doublette of van één of twee spelers in een triplette is slechts toegestaan tot op het ogenblik van het officiële startsein van het toernooi (door middel van een startschot, een fluitsignaal, mondeling, enz.), en op voorwaarde dat de vervanger(s) niet ingeschreven was (waren) in een andere ploeg voor dezelfde wedstrijd.

Artikel 35 – Sancties
Spelers die zich niet houden aan de spelregels, riskeren de volgende sancties op te lopen:
1. Waarschuwing, deze wordt officieel bevestigd door de scheidsrechter door het trekken van een gele kaart voor de schuldige speler.
Daarenboven wordt bij het overschrijden van de speeltijd voor alle spelers van de schuldige ploeg een gele kaart getrokken. Indien een speler al in het bezit is van een gele kaart zal hem een verbod gegeven worden om de te spelen bal in deze mène te spelen, of wanneer deze speler geen ballen meer te spelen heeft wordt dit bij de volgende mène toegepast.
2. Nietig verklaren van de gespeelde of de te spelen bal, deze wordt officieel bevestigd door de scheidsrechter door het trekken van een oranje kaart voor de schuldige speler.
3. Uitsluiting van de schuldige speler gedurende de rest van de partij, deze wordt officieel bevestigd door de scheidsrechter door het trekken van een rode kaart voor de schuldige speler.
4. Diskwalificatie van de schuldige ploeg.
5. Diskwalificatie van beide ploegen ingeval van samenspanning.
Gezien een waarschuwing een sanctie is, kan deze enkel toegepast worden van zodra een inbreuk vastgesteld werd.
Kan niet als waarschuwing beschouwd worden: de officiële mededeling omtrent het naleven van het reglement die aan de spelers gegeven wordt bij aanvang van een wedstrijd of een partij.

Artikel 36 – Ongunstig weer
Bij regen wordt een begonnen mène afgemaakt, tenzij de scheidsrechter er anders over beslist. Hij alleen met de jury is bevoegd over het stilleggen of het annuleren in geval van overmacht.

Artikel 37 – Nieuwe speelfase
Als na de aankondiging van een nieuwe fase van de wedstrijd (2de ronde, 3de ronde, enz…), sommige partijen nog niet afgelopen zijn, kan de scheidsrechter, na raadpleging van de wedstrijdleiding, alle maatregelen en beslissingen nemen die hij nodig acht voor een vlot verloop van de wedstrijd.

Artikel 38 – Onsportief gedrag
De ploegen die in een partij blijk geven van onsportiviteit of van gebrek aan respect tegenover het publiek, de wedstrijdleiders of de scheidsrechters, zullen uit de competitie genomen worden. Deze uitsluiting kan leiden tot nietigverklaring van eventueel behaalde resultaten en tot het opleggen van de sancties als bepaald in artikel 39.

Artikel 39 – Incorrect gedrag
Een speler die zich schuldig maakt aan incorrect gedrag of, erger nog, aan geweld ten opzichte van officials, een scheidsrechter, een andere speler of een toeschouwer, loopt kans op één of meerdere van de volgende sancties afhankelijk van de ernst van de overtreding:
1. Uitsluiting uit de wedstrijd.
2. Intrekking van zijn licentie of van een geldig aansluitingsbewijs.
3. Inbeslagname of terugname van de prijzen en beloningen.
Een sanctie die opgelegd wordt aan een schuldig bevonden speler, kan ook worden opgelegd aan zijn mede-spelers.
Sanctie 1 wordt opgelegd door de scheidsrechter.
Sanctie 2 wordt opgelegd door de jury.
Sanctie 3 wordt toegepast door de wedstrijdleiding, die binnen 48 uur aan de federatie de vervallen prijzen en beloningen stuurt vergezeld van een verslag. Deze laatste zal over de bestemming ervan beslissen.
In alle gevallen ligt de uiteindelijke beslissing bij de tuchtcommissie van de federatie.
Een correcte kledij van de spelers is vereist, waarbij het totaal verboden is met bloot bovenlijf te spelen. Om veiligheidsredenen zijn gesloten schoenen die zowel tenen als hielen bedekken verplicht.
Het is ten strengste verboden te roken op de speelvelden. Deze regel geldt ook voor elektronische sigaretten. Het is tevens verboden gsm te gebruiken tijdens een aan gang zijnde partij.
Spelers die zich niet houden aan deze regels zullen bij volharding van de feiten na een waarschuwing van de scheidsrechter uitgesloten worden.

Artikel 40 – Taak van de scheidsrechters
Scheidsrechters die zijn aangewezen om een wedstrijd te leiden moeten toezien op de strikte toepassing van het spelreglement en van de administratieve reglementen die het vervolledigen.
Zij kunnen spelers of ploegen uit de wedstrijd sluiten die weigeren zich bij hun beslissingen neer te leggen.
Aangesloten of geschorste toeschouwers die door hun gedrag een incident op het terrein veroorzaken zullen door een verslag, opgemaakt door de scheidsrechter, aangeklaagd worden bij de federatie. Deze laatste zal de betrokkene(n) oproepen voor de tuchtcommissie die zich zal uitspreken over de te nemen sancties.

Artikel 41 – Samenstelling en beslissing van de jury
Ieder geval waarin dit reglement niet voorziet, wordt voorgelegd aan de scheidsrechter die hierover met de wedstrijdjury kan beraadslagen.
Een jury bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden. De beslissingen die in toepassing van deze para-graaf worden genomen zijn zonder verhaal.
In geval van gelijkheid van stemmen is de stem van de voorzitter van de jury doorslaggevend.
Het huidige reglement werd goedgekeurd op 4 december 2016 door het uitvoerend comité van de F.I.P.J.P. en is van toepassing vanaf 1 januari 2017.

Vertaling goedgekeurd door de Raad van Bestuur PFV – 9 december 2017